De Strijd om het IJ: geschiedschrijving met oog voor drama
Corine Nijenhuis verdiepte zich in de geschiedenis van het Goudriaankanaal tussen Amsterdam en Marken. Dat kwam er nooit. Wel een nieuw boek, dat geschiedschrijving verweeft met het drama van een levenslange vete.
Begin negentiende eeuw, twee briljante mannen op Waterstaat met plannen en invloed. De één een eigenwijze en jaloerse hork, de ander een welbespraakte en beminnelijke diplomaat. Levenslange collega’s, tot elkaar veroordeeld, wederzijds plannen beoordelend, toejuichend, verwerpend. De één jat van de ander, de ander wordt de baas van de één. De één is ouder, de ander slimmer. Beiden wenden ze hun gezag aan om het vaderland te beschermen tegen het water, met dijken, sluizen en kanalen, beiden zijn succesvol, en maken ook fouten. Ze zijn onmisbaar voor de Waterstaat en worden gesteund door een koning die voor die Waterstaat een bijzondere passie koestert. En toch werken ze niet samen. Want de één verdraagt geen concurrentie, en de ander is te aardig om het op de spits te drijven.
Drama
Dat is in een notendop het drama dat Corine Nijenhuis ontdekte toen ze zich verdiepte in de geschiedenis van het Goudriaankanaal. Dat moest worden gegraven om het koopvaardij- en oorlogsschepen mogelijk te maken om Amsterdam te bereiken zonder dat ze eindeloos voor Pampus hoefden te blijven liggen wachten, tot een scheepskameel ze over de ondiepte heen kon helpen. En ze ontdekte meer: het Goudriaankanaal, genoemd naar de bedenker Adrianus Goudriaan, een waterstaatsman van het niveau Leeghwater of Lely, was het sluitstuk van een decennia durende strijd tussen Goudriaan en zijn belangrijkste collega en concurrent, Jan Blanken. Ook Blanken was een groot waterstaatsman – hij was de vader van het Noordhollandsch Kanaal – en veel groter dan Goudriaan volgens hemzelf, maar belast met een bijzonder ongezeglijk karakter, wat zijn carrière niet steeds ten goede kwam.
Teveel protagonisten
Toch is de dramatische verhouding tussen Goudriaan en Blanken, die van meet af aan vaart verschaft aan het verhaal dat Nijenhuis wil vertellen, niet het hoofdthema van het boek ‘De Strijd om het IJ’, dat vanaf 5 februari in de winkels ligt. Deels komt dat omdat de twee protagonisten niet de enige hoofdrolspelers in het boek zijn – en twee is al heel wat. Behalve Goudriaan en Blanken is er een invloedrijke medestander, maar ook een forse tegenstander. Medestander is Willem Frederik, de ‘kanalenkoning’ die zijn magnum opus zag in het aanleggen van een natte infrastructuur die heel het land van efficiënte transportmogelijkheden zou voorzien. Een minstens even formidabele tegenstander is de stad Amsterdam, die weliswaar kampt met een dreigende onbereikbaarheid door de verzandende zuidwesthoek van de Zuiderzee, maar elke oplossing die door de waterstaatmannen wordt aangedragen afwijst, omdat ze het aanzien van de stad teveel zouden schaden. Nijenhuis wil ze allemaal recht doen, en dat gaat soms ten koste van een vloeiende verhaallijn.
Rijke geschiedenis

De geschiedenis van de kanalen die Amsterdam weer bereikbaar moeten maken – naast het Goudriaankanaal speelt het al eerder gerealiseerde Noordhollandsch kanaal een even grote rol in het boek – is bijzonder rijk. Naast de interessante regime-wisselingen, maar liefst vier tussen het stadhoudertijdperk en Willem I, is er de geschiedenis van Amsterdam dat zijn status als grote zeehaven dreigt te verliezen, de bijzondere manier om dat op te lossen met de hulp van zogenaamde scheepskamelen, de rivaliteit tussen de twee waterstaatmannen en de leef- en arbeidsomstandigheden van de kanaalgravers, met tussendoor ook nog een vernietigende watersnoodramp. Nijenhuis heeft het allemaal bestudeerd, en geeft al die hoofd- en subthema’s een plek in haar boek. Dat is daardoor een schatkamer van wetenswaardigheden geworden, en Nijenhuis kan geweldig schrijven.
Handicap
Toch is die veelheid ook een handicap, omdat ze voortdurend uitstapjes maakt van wat je als lezer al snel als de centrale verhaallijn gaat zien: de relatie tussen die twee mannen. Het verhaal lijdt daardoor onder een sterk wisselend tempo, en komt soms zelfs helemaal tot stilstand, bijvoorbeeld als Nijenhuis een heel hoofdstuk wijdt aan de opstand van arbeiders aan het Noordhollandsch Kanaal, die mensonterend worden uitgebuit en dat op een gegeven moment niet meer pikken. Een verhaal dat het zeker verdient om verteld te worden, maar of dat ook in dit boek moet gebeuren is wel de vraag. Zo wisselt ook het perspectief steeds van Goudriaan naar Blanken en weerom, zonder dat steeds duidelijk is over wie we nu lezen. Dat komt doordat Nijenhuis steeds dezelfde schrijftrouvaille toepast: ze begint met de beschrijving van een scène, maar zonder daarin de meest informatieve details weg te geven. Dat doet ze dan pas later. Daarmee houd je wel de aandacht vast, maar je brengt de lezer ook regelmatig in verwarring. ‘Over wie hebben we het nu precies’ is dan de vraag, die alleen met wat terug- en vooruitbladeren kan worden opgelost.
Onuitgelegde termen
Zo laat Nijenhuis de lezer ook in onzekerheid over allerlei jargon en woorden die wel thuishoren in de tijd die ze beschrijft, maar voor veel lezers abracadabra zullen zijn. Het duurt een poos voordat je uit de context op kunt maken wat zoetelketen zijn (dranklokalen), poldergasten (kanaalgravers), of dat waterschepen niet zo heten omdat ze misschien water vervoeren. Ook ontbreekt een uitleg over de betekenis van boegseren, dokdijk, kokelekootjes of molenaarsniveau, om een paar termen te noemen waar uw recensent aan bleef haken. In de teksten over Amsterdam komt steeds de dubbele palenrij aan de orde, die de stad afschermt van allerlei ongerief, maar terwijl wel kaartjes zijn opgenomen van de beroemde kanalen, ontbreekt een plattegrond waarop duidelijk wordt hoe het Amsterdamse havenfront er in die tijd uit zag. Zo wordt veel beschreven, maar blijft ook interessante informatie achterwege. De lezer komt bijvoorbeeld niet te weten hoe (on)diep de Zuiderzee in die tijd eigenlijk was, of hoe diepstekend een fregat, waardoor dat de Zuiderzee zelfs via de diepere stroomgeulen niet kon bevaren.
Een paar boeken ineen
De maritieme historie van Nederland wordt niet alleen bepaald door de geschiedenis van de schepen en de roemruchtige reizen die ermee gemaakt werden, maar ook die van het eindeloze gevecht met het water in de diepe delta en rond de Zuiderzee. Dat besef brengt Corine Nijenhuis heel goed naar voren en dat is een grote verdienste, want die geschiedenis is even boeiend en – soms – bloedstollend als een zeeslag of ontdekkingsreis. Toch blijft bij lezing van ‘De Strijd om het IJ’ de indruk achter dat met deze geschiedenis meerdere boeken gevuld hadden kunnen worden; elk volgende met misschien wel evenveel drama en wetenswaardigs als het vorige. Dat ze dat allemaal samen heeft gebracht in één boek is een tour de force die bewondering afdwingt, en tegelijk doet verlangen naar een verhaal dat iets duidelijker kiest tussen drama en informatie.
Kopfoto: De Schutlsuis Willem I bij Buiksloot. Prent van Jacob Plügger, ca. 1824 (Rijksmuseum)


