Blog: Boegbeelden en de waarheid
Maritime Portal plaatste een interessante blog van Sjoerd de Meer naar aanleiding van het fenomeen boegbeelden. Hij was voormalig conservator van het Maritiem Museum Rotterdam. Een lange blog, maar we herplaatsen hem in zijn geheel.

Het is eigenlijk opmerkelijk dat het woord boegbeeld nog zo’n vaste plaats heeft in ons dagelijkse taalgebruik. Vrijwel dagelijks lezen we in de krant dat iemand een ‘boegbeeld’ is of dat een organisatie op zoek is naar een nieuw boegbeeld. Natuurlijk wordt het woord dan figuurlijk gebruikt.
Toch blijft het bijzonder dat een begrip uit de scheepvaart zo levend is gebleven, terwijl de traditie om houten beelden op de boeg van een schip te plaatsen haar hoogtepunt al in de negentiende eeuw beleefde en in de twintigste eeuw vrijwel uitstierf.
In de afgelopen decennia werden houten boegbeelden vrijwel uitsluitend nog vervaardigd voor replica’s, zoals het VOC-schip Amsterdam, het oorlogsschip Delft en de clipper Stad Amsterdam.
Onlangs werd ik gevraagd een lezing over boegbeelden te verzorgen in het kader van het project Rotterdamse Waterparels 2026, een initiatief van de Stichting Brugwachtershuisjes. Deze stichting zet zich in om leegstaande brugwachtershuisjes in Nederland een nieuwe bestemming te geven.
In mijn woonplaats Dordrecht realiseerde de stichting misschien wel een van haar succesvolste projecten tot nog toe. Kunstenaar Jan Stroeve bedacht brugwachter Teus: een levensgrote pop die in 2018 zijn intrek nam in het brugwachtershuisje op de Prins Hendrikbrug. Via Facebook en de lokale pers volgden honderden mensen zijn avonturen. Teus verhuisde zelfs tijdelijk naar een brugwachtershuisje in Den Bosch. Eind 2022 kwam er een einde aan het project.

Foto door ontwerpbureau Lichting98, Rotterdam
In Rotterdam zijn momenteel de twee brugwachtershuisjes van de oude Willemsbrug op het Noordereiland in het kader van de Rotterdamse Waterparels 2026 het decor van de presentatie Kalmeer de Zee, die nog tot eind juli 2026 te zien is.
De Rotterdamse kunstenaar Karin van Paassen plaatste er acht vrouwelijke torso’s, voorzien van porseleinen amuletten en andere objecten die, aldus de website van de Stichting Burgwachtershuisjes, verwijzen naar het bijgeloof van schippers uit uiteenlopende culturen.
In het kader van de presentatie van Karin van Paassen hield ik mijn lezing, in buurthuis Tante Nino, vlak bij de brugwachtershuisjes. Bijna ging de bijeenkomst niet door, omdat een grote stroomstoring Rotterdam had getroffen.
Dankzij een noodstroomvoorziening kon mijn presentatie toch doorgaan. Ik illustreerde mijn verhaal vooral aan de hand van objecten uit de collecties van het Maritiem Museum Rotterdam en Het Scheepvaartmuseum.
Misschien tot teleurstelling van sommige toehoorders werd het geen verhaal over zeemansbijgeloof en de vermeende beschermende kracht van boegbeelden. Als historicus moet ik immers erkennen dat we eenvoudigweg niet weten of zeelieden in alle eeuwen werkelijk geloofden dat een boegbeeld bescherming bood. In plaats daarvan vertelde ik over de ontwikkeling van het boegbeeld vanaf het einde van de zestiende eeuw. Daarbij liep één thema als een rode draad door mijn verhaal: de dunne scheidslijn tussen waarheid en veronderstelling. Ik noem hier drie voorbeelden.

Zo staat in het populaire en veel gelezen boek van Giancarlo Costa, Boegbeelden (Nederlandse vertaling uitgegeven door de Boer Maritiem in 1980) vrijwel op de eerste pagina het ‘boegbeeld’ van Erasmus afgebeeld. Het beeld is afkomstig van het schip De Liefde, dat in 1600 in Japan aankwam.
Het origineel bevindt zich nog altijd in Japan; het Maritiem Museum Rotterdam bezit een zeer goede kopie. Maar opmerkelijk genoeg was al in 1926/1927 bekend dat dit helemaal geen boegbeeld is, maar een hekbeeld: een beeld dat op de achtersteven van het schip stond. De waarheid wordt hier duidelijk geweld aangedaan.
Een tweede voorbeeld waar waarheid en veronderstelling wellicht op gespannen voet met elkaar staan, is het kleine beeldje van slechts 41 centimeter hoog, uit de collectie van het Maritiem Museum Rotterdam, voorstellende een meisje met een paar losse schaatsen in haar hand (aangekocht in 1922).
Tegenwoordig staat het beeld bekend als Liduina. In zijn boek Scheepssier uit 1977 omschrijft G.R. Kruissink haar nog slechts als een ‘vrouwenfiguurtje’, een boegbeeldje uit omstreeks 1800. En ook op de oorspronkelijke inventariskaart van het museum ontbreekt de naam Liduina. Wie kwam dan met de hypothese dat het beeld de heilige Liduina van Schiedam voorstelt?
Misschien ben ik dat zelf wel geweest, toen ik in 2005-2006 in het Maritiem Museum de tentoonstelling ‘Kop en Kont: scheepssier van boeg tot spiegel’ voorbereidde. En een andere, hier niet te beantwoorden kritische vraag, is het eigenlijk wel een boegbeeld.

Het verhaal over Liduina van Schiedam (1380-1433) is bekend. Zij brak als jong meisje tijdens het schaatsen een rib, waarna zij ernstig ziek werd en uiteindelijk de rest van haar leven bedlegerig bleef. Haar lijden werd later als voorbeeldig beschouwd en al in de vijftiende eeuw verschenen heiligenlevens over haar.
Juist in Schiedam kreeg in 1853 een koopvaardijschip de naam Heilige Liduina. De katholieke reder J.H. van Gent liet het schip bouwen. Een beeldje van een jong meisje met schaatsen én een schip met die naam: het lijkt aannemelijk dat het beeldje het boegbeeld van dat schip is geweest. Maar uiteindelijk blijft het een hypothese. Toch wordt die in de praktijk gemakkelijk als vaststaand feit gepresenteerd, simpelweg omdat het zo’n aantrekkelijk verhaal is.
Mijn derde voorbeeld is het boegbeeld van de ‘Lady Guendolen’. Dit beeld kwam in 1928 in de collectie van het Maritiem Museum Rotterdam als schenking van Gottfried Carl Eduard Crone (1880-1954), een hartstochtelijk verzamelaar van scheepsmodellen en scheepssier. (zie over hem het artikel van Elisabeth Spits, ‘De scheepvaartverzameling Argo Navis, Gottfried Carl Eduard Crone (Amsterdam 1880 – Amsterdam 1954)’ in Verzamelaars Verzameld, jaarboek 2016 van de Vereeniging Nederlandsch Historisch Scheepvaart Museum).

Foto door Eric van Straaten, Vlaardingen.
Terzijde zij opgemerkt dat Crone zijn volledige verzameling graag bij het toenmalige Maritiem Museum ‘Prins Hendrik’ (de voorganger van het Maritiem Museum Rotterdam) had willen onderbrengen, met hemzelf als onbezoldigd conservator. Burgemeester en Wethouders van Rotterdam wezen dat voorstel echter af.
Gelukkig bleef de collectie bijeen; het grootste deel werd later verworven door Het Scheepvaartmuseum. Van rancune was bij Crone geen sprake. Integendeel, hij schonk het Maritiem Museum nog verschillende objecten, waaronder het boegbeeld dat later bekend zou worden als de ‘Lady Guendolen’.
Bij de schenking in 1928 werd het beeld eenvoudig omschreven als ‘schegbeeld, vrouwenfiguur van een zeeschip uit de tweede helft van de vorige eeuw’. Pas twee jaar later kreeg het zijn huidige naam.
In 1930 bezocht mevrouw Beukenkamp-Snijders het museum. Zij was op zoek naar het boegbeeld van het barkschip Lady Guendolen, dat vroeger in de tuin van haar schoonvader, de burgemeester van Den Helder, had gestaan. Na diens overlijden in 1895 waren diens bezittingen verkocht en vermoedelijk bevond zich daaronder ook het boegbeeld.
In het museum meende zij het beeld terug te zien. Maar zij was toen inmiddels ruim zeventig jaar oud. Bovendien merkte zij zelf op dat het beeld sterk verweerd was. Zij twijfelde. Was het werkelijk hetzelfde beeld? (informatie gebaseerd op brieven van mevr. Beukenkamp-Snijders, in kopie in het Maritiem Museum aanwezig als bijlage van de inventariskaart).
Dat de ‘Lady Guendolen’ een vrouwelijk boegbeeld bezat, staat overigens wel vast. Het was een Brits schip dat in 1872 vanuit Chili met een lading chilisalpeter op weg was naar Hamburg. Bij Texel liep het schip vast op de Noorderhaaks en ging verloren. De bemanning werd gered en ook verschillende goederen en onderdelen van het schip werden geborgen, waaronder, zoals in een verkoopadvertentie wordt vermeld: een ‘vrouwenbeeld’. Het beeld en de andere goederen werden verkocht op het erf van de burgemeester. Kennelijk had de burgemeester zelf het beeld gekocht.
Dat mevrouw Beukenkamp in 1930 nog wist dat het boegbeeld van ‘Lady Guendolen’ in de tuin van haar schoonvader had gestaan, is goed voorstelbaar. Maar of het museumstuk daadwerkelijk hetzelfde boegbeeld is, blijft gebaseerd op de herinnering van één persoon.
Daarmee kom ik terug bij mijn uitgangspunt: boegbeelden en de waarheid. De grens tussen feit en interpretatie blijkt soms verrassend smal. De drie voorbeelden laten zien hoe gemakkelijk een aannemelijke hypothese langzaam verandert in een algemeen geaccepteerde waarheid. Soms zelfs, in het geval van Erasmus, als die hypothese al lang is achterhaald. Conservatoren formuleren doorgaans voorzichtig, met woorden als ‘waarschijnlijk’, ‘mogelijk’ of ‘vermoedelijk’. Maar wat blijft hangen is het verhaal. En dat gaat vervolgens een eigen leven leiden.
Is dat erg? Niet noodzakelijk. Zolang we ons maar blijven realiseren dat ook we ook aan museale objecten kritische vragen moeten blijven stellen, zelfs als de verhalen daarover als de waarheid worden gepresenteerd.
En wilt u de presentatie op het Noordereiland nog zien, dan moet u zich haasten. Deze staat er nog tot eind juli 2026.
Geschreven door Sjoerd de Meer; met dank aan zijn oud-collega’s Ron Brand, Irene Jacobs en Judith Siegel voor het bijeenzoeken van gegevens.
Bron: Maritiem Portal
Kopfoto: Het boegbeeld van de Stad Amsterdam (Wikimedia commons)


