De haringrace, vergane glorie
Vorige week berichtten we dat de zeillogger Balder weer eens ouderwets op haring was gaan vissen. Was het maar waar! Rens Groenendijk vertelt hoe het er echt aan toeging tijdens de laatste haringrace.
Het verhaal van Ernst Lohmann was overtuigend genoeg, maar betrof in feite het verslag van hoe de Vlaardingers ieder jaar spélen dat de Balder terugkomt van de haringvangst. Dat de Balder, wellicht net als de Jonge Vissers onder Zeil van Workum, zo nu en dan ouderwets zou mogen vissen om de geschiedenis nog voor even tot leven te wekken is helaas een illusie.
Rens Groenendijk maakte een van de laatste haringraces mee (de laatste vond plaats in 1988), precies veertig jaar geleden, en deed daar verslag van. Dat publiceren we deze week, ter compensatie van het jammerlijke gegeven dat de Balder waarschijnlijk nooit meer echt het zeegat verlaat.
Een verslag van het leven aan boord in 1986
De Haringrace, de jaarlijkse strijd om het binnenbrengen van de eerste Hollandse Nieuwe door Nederlandse vissers, is al veertig jaar vergane glorie. Journalist Rens Groenendijk was er in 1986 bij, toen er nog een vloot van 25 trawlers op jacht ging naar haring in de Noordzee. Hij blikt terug op een mooi avontuur.
Het is 26 mei 1986, maandagmorgen kwart voor zeven. De 94 meter lange hektrawler SCH.24 ‘Zeeland’ van rederij Jaczon verlaat de thuishaven Scheveningen. Met een paar flinke stoten op de scheepshoorn wordt afscheid genomen van de familie op de kade. Ik ben als redacteur van het Algemeen Nederlands Persbureau aangemonsterd om verslag te doen van de strijd tussen 25 trawlers om de eerste Hollandse Nieuwe aan land te brengen.
Geen liefhebber
Hoewel geboren en getogen in haringstad Vlaardingen, ben ik geen groot liefhebber van de rauwe, gezouten en gefermenteerde vis, zelfs niet met uitjes. Maar voor je werk moet je wat over hebben! Om schipper Piet de Niet uit Katwijk gunstig te stemmen, overhandig ik hem een fles Schelvispekel. Dit Vlaardingse alcoholische kruidendrankje is hem niet bekend, maar hij aanvaardt het in dankbaarheid.
Maandagavond wordt ter hoogte van Aberdeen het net voor de eerste keer op deze reis uitgezet. Het is een nieuw vistuig, waar al direct iets mis mee is. De sensor van de sonar in de netopening doet het niet, een belangrijk instrument om te weten of de vis het net in zwemt. Na gesleutel tot diep in de nacht werkt de boel.
Storm boven Schotland
Via de radio hoort De Niet dinsdags dat sommige collega’s al huiswaarts keren. Maar dat is volgens hem meer uit prestige dan om economische redenen. De ‘Zeeland’ is een vriestrawler met een 30-koppige bemanning, die kan niet thuiskomen met slechts een paar tonnetjes haring. De Niet tuurt op een grote zeekaart van de Noordzee, waarop hij al jaren met een potloodje aantekent waar hij goed haring heeft gevangen. We gaan hogerop, richting Orkneyeilanden, boven Schotland. De golven worden hoger en de wind wakkert aan tot kracht 9. Als ik ’s nachts in mijn kooi lig, siddert het schip af en toe als het een grote golf attaqueert; ‘een paaltje pikken’ heet dat.
‘Over’
Via Radio Scheveningen bel ik tijdens de reis een paar keer mijn verhaal door naar de ANP-redactie. De communicatie (‘half-duplex’) kan maar één kant op, als ik heb gesproken moet ik telkens afsluiten met ‘over’ en dan kan de andere kant pas spreken.
Ik kijk woensdag mee met de schipper bij zijn jacht op haring. Met sonars is soms te zien dat een school haring voor het schip zwemt én eronder, maar uiteindelijk toch niet in het net belandt. Maar dan is het raak: netten barstensvol haring worden achter elkaar aan boord getrokken. Een spectaculair gezicht als het net wordt opengetrokken en de haringen, via een goot, de koeltank in stromen.
Duizend kantjes
De vangst wordt nog steeds in ‘kantjes’ uitgedrukt, een oude eenheid voor een ton met 900 à 1000 haringen, circa 100 kilo. De ‘Zeeland’ haalt in totaal circa duizend kantjes binnen, veel meer dan de concurrentie. De winnaar van de Haringrace, de SCH.54 van rederij Van der Zwan, is vandaag thuis gekomen met maar zestig kantjes.
Onderdeks staan veertien bemanningsleden vele uren achtereen in de kou te kaken, een bloederig werkje. Vier mannen doen de gekaakte vis in emmers met pekel, die daarna de vriezer in gaan. De ‘Zeeland’ is eigenlijk een varende fabriek: de meeste haring wordt, na te zijn schoongespoeld, via een lopende band naar de vriezer getransporteerd, waar de vis in plastic zakken belandt en wordt ingevroren.
Frisse neus
De zware zeegang maakt dat ik niet te lang bij het kaken moet blijven kijken, want daarbij raakt mijn maag danig van streek. In de kombuis bereidt de scheepskok stevig eten in grote porties om de mannen tijdens de continudienst op de been te houden. Ik heb nog nooit zulke grote gehaktballen gezien! Die etenslucht kan ik niet lang verdragen en daarom kies ik positie op de brug en ga af en toe naar buiten om een frisse neus te halen. Een aanpak die helpt: ik hoef de vissen geen eten te geven.
Na vijf dagen op zee stap ik vrijdagmorgen in Scheveningen met wankele benen weer van boord, met een emmertje haring voor de collega’s. De mensen aan wal deinzen achteruit als ik in de buurt kom, want de geur van haring, die ik zelf niet meer bemerk, hangt als een zware walm om mij heen.
Bron tekst en beeld: Rens Groenendijk.


