LVBHB sluit jubileumjaar af met succesvol symposium
Op 14 november vierde de LVBHB haar 50-jarige bestaan met een symposium over het toekomstperspectief voor de komende 50 jaar. Centraal stond of de oude schepen net zo’n iconische status kunnen krijgen als Hollandse molens.
De LVBHB wil volgens voorzitter Rolf van der Mark ook de volgende jaren springlevend zijn. Het symposium leverde bruikbare suggesties op, zoals het instellen van een Nationale dag van het Varend Erfgoed, steviger belangenbehartiging bij overheden en allianties met andere beschermers van cultureel erfgoed. Ter discussie kwam de stelling dat varend erfgoed in Nederland een officiële status moet krijgen. Velen zijn voor, maar er blijven schippers fel op tegen, met het oog op de verplichtingen die eigenaren dan mogelijk opgelegd krijgen. Een jonge schipper bracht daar tegenin dat als een officiële beschermde status een bezwaar is, “dan heb je het verkeerde schip gekocht.” Geen bemoeienis met het schip en het willen behouden uit maatschappelijk belang gaat niet samen, was de achterliggende gedachte.
Beschermde status onderzoeken
Een obstakel voor jonge schippers is onder meer de financiering. Daarvoor werden verschillende oplossingen gesuggereerd, waaronder de mogelijkheid dat gemeenten een handje helpen door historische schepen aan te wijzen als monument. Die mogelijkheid hebben ze, ook al wordt in de landelijke wetgeving het begrip ‘monument’ gedefinieerd als een onroerend goed. Spreker Martine van Lier pleitte ervoor om met hulp van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE), waar het symposium werd gehouden, te proberen om die definitie uit te breiden met de term Registergoed. Tevens liep zij de verschillende mogelijkheden voor bescherming na, waaronder de bescherming op gemeentelijk niveau.
Eduard van Zuijlen, burgemeester van Enkhuizen en voorzitter Vereeniging Zuiderzeegemeenten, kwam daarop als niet aangekondigde spreker met het nieuws dat de gemeente Enkhuizen, samen met andere Zuiderzeegemeenten die mogelijkheid om op gemeentelijk niveau schepen te beschermen nader wil onderzoeken. Dat levert waarschijnlijk niet meteen subsidiestromen op, maar misschien wel mogelijkheden om ligplaatsen van schepen te faciliteren, met goede voorzieningen, kortingen op havengelden, en dergelijke. Van Lier gaat dit onderzoek in opdracht van het consortium uitvoeren.
Hollandse Molens
Al voordat Martine van Lier haar betoog afstak, hadden Nicole Bakker, directeur van de Vereniging De Hollandse Molen, en Karel Loeff, directeur van de Erfgoedvereniging Heemschut, zich gebogen over de vraag waarom schepen niet op dezelfde manier beschermd zijn als historische molens. Bakker legde uit wat de verschillen en overeenkomsten zijn; Loef vertelde hoe zijn vereniging succesvol was in het beschermen van erfgoed. Volgens Loef is er behoefte aan duidelijke criteria: wat is varend erfgoed, welk erfgoed is uniek en wat noemen we beeldbepalend? Loef adviseerde allianties te smeden, ook met de chartervaart die het kortgeleden voor elkaar kreeg dat het beroep ‘Bruine Vloot-schipper’ werd toegevoegd aan het nationale immateriële cultureel erfgoed: “Door meer samenwerking kun je mobiel en immaterieel erfgoed koppelen en borgen voor toekomst.”
Volgens Nicole Bakker is de geslotenheid van de sector een probleem voor samenwerking en voor het creëren van draagvlak. Op de vraag hoe meer interesse en steun voor historische vaartuigen bewerkstelligd kan worden, adviseerde Bakker: “Ga varen met bezoekers.” Voor schepen die als pleziervaartuig te boek staan is dat vanwege regelgeving over veiligheid en hogere verzekeringspremies echter meestal niet mogelijk. Gesuggereerd werd om hiervoor dan samen te werken met de beroepsvaart. Sinds corona wordt in charterkringen veel meer in termen van erfgoedbescherming gedacht dan voorheen; daar liggen kansen.
LVBHB-voorzitter Van der Mark kon zich daar wel in vinden. “Met de chartervaart spreken we, op zoek naar een grotere maritieme alliantie.”
Jonge Schippers
Oudgediende Bart Vermeer maakte zich sterk voor de verjonging van de vereniging. Op het symposium waren zes jonge schippers present, die zich actief in de discussies mengden. Vermeer uitte de ambitie om volgend jaar minstens vijftig jonge schippers naar de vergadering te brengen: “Die zijn er, en we gaan ervoor zorgen dat ze komen.” De aanwezige jonge schippers knikten instemmend: zij hebben zich alvast aan deelname gecommitteerd.
Vermeer ging dieper met ze in op de obstakels die ze tegenkomen. Het verkrijgen van een goede scheepshypotheek blijkt nog altijd het grootste struikelblok: “Varende woonschepen zijn vrijwel allemaal CvO-plichtig. Maar voor de Rabobank mag je met een hypotheek niet varen, omdat de bank in varen grotere risico’s ziet.”
Vermeer liet jonge eigenaren Jouke Jumelet van de hagenaar Heiltje en Willem Weijts van de klipperaak Avontuur, die beiden aan boord wonen, vol enthousiasme vertellen over varend erfgoed in het algemeen, hun schip in het bijzonder, en de werkzaamheden en wonen aan boord. Volgens hem komen die vijftig jonge schippers er wel.
Bron: eigen nieuwsgaring.
Beeld: LVBHB-schepen in Middelburg tijdens de Erfgoedtour.


