Archeologie, Musea en Behoud

“We zijn pleite” — van Jiddisch woord tot Vlaams erfgoedschip

De Pleit is een in Nederland vrijwel onbekend scheepstype, dat in Vlaanderen veel voorkwam. Een middeleeuwse vrachtvaarder waar eerst mee over zee werd gevaren maar later alleen op het binnenwater. Nu resten alleen de verhalen.

De zowel in Amsterdam als in Antwerpen veel gehoorde uitdrukking ‘we zijn pleite’ betekent zoveel als ‘we zijn vertrokken, we zijn weg’. Veel mensen kennen en gebruiken de uitdrukking. Het is afgeleid van het Jiddische woord ‘pleta’ en betekent vlucht.

Dat ze een verwijzing naar Belgisch varend erfgoed bevat is minder bekend. Tot voor 150 jaar voeren er immers nogal wat Vlaamse Pleiten op het binnenwater, maar ook op het ruimere sop van de Noord- en Oostzee.

Het Schip

Pleiten waren doorgaans lichtgebouwde houten schepen. Ze leken in grote mate op de ronde binnenschepen van toen. Het waren vol gebouwde, tamelijk lange schepen met plat vlak, twee zwaarden, een klein tuig en een strijkbare mast. Voor de roef was een laadruim: een hek ontbrak en ze waren van het draai-over-boord type. Zoals gebruikelijk in die tijd leefde het hele gezien an boord. De schipper / eigenaar, zijn vrouw en de kinderen. Als er weer een kleine geboren moest worden, werd er pas aangelegd als het ‘water’ gebroken was. Dus aanleggen aan de kade en een vroedvrouw opgetrommeld om de geboorte in optima condities te laten verlopen. Na de geboorte voer het uitgebreide gezin verder om de kost te verdienen. Ook toen al was stilliggen geen optie.

Middeleeuwse vrachtvaarder

De geschiedenis van de Pleit gaat ver terug in de tijd. Zo wordt de Pleit al vermeld als binnenvaartschip in de tolregisters van het Zwin (1252) en van Iersikeroord (1321-1572). In de 15e eeuw was de pleit ongeveer 63 ton groot. Op de binnenwateren werd het schip door paarden gejaagd, hoewel soms ook zeilen werden bijgezet.

Zoals meestal in die tijd bestond de lading in hoofdzaak uit bakstenen en wissen of afgewerkte manden. Er werd veel op Antwerpen gevaren vanuit de Boomse kleistreek. Met bakstenen geladen pleiten voeren soms zelfs tot in Engeland de Theems op. Ook wit zand uit de Kempen was een veelvuldige vracht: wit zand voor de glas industrie en om te strooien in de  woningen.

Zeepleiten – Kleine handelsvaarders

In de 19e eeuw voeren De zeegaande pleiten niet alleen naar Engeland met stukgoed, maar ook langs de Franse kust tot Noirmoutiers voor wijn en zout, en naar de Oostzee voor haring en graan.. Dit type had alle kenmerken van een kustvaarder. Het was een hoog en breed getuigd schip van 120 tot 180 ton groot, bevaren door kapitein, een stuurman en nog drie bemanningsleden.

In 1963, stelde Alex De Vos, werkzaam in het Antwerpse scheepvaartmuseum, een lijst op van de Belgische koopvaardijschepen tussen 1828 en1835. Hij deed dat met behulp van declassificatieregisters van het Bureau Veritas, een scheepsverzekeringsorganisatie. Daaruit valt één en ander op te maken. Van de 295 Belgische schepen in deze lijst worden er 44 aangeduid als pleit. Zo’n 14% van de toenmalige Belgische koopvaardij bestond destijds uit Zeepleiten.

Het einde

De laatste Zeepleiten verdwenen uit de vaart rond 1875 en de Pleit werd vanaf toen een zuiver binnenvaartschip. In het begin van de 20e eeuw zijn er nog een aantal ijzeren Pleiten gebouwd, maar in de loop van de tijd werden ze in staal gebouwd en kregen ze steeds meer de vorm van de kanaalboot die toen langzamerhand ontwikkeld werden.

Er is nu niets meer over dan verhalen en afbeeldingen van Vlaamsche Pleit. Om een boutade te gebruiken: de Pleit is pleite.

Bronnen:
artikel van Stefaan Raats in magazine Varen van januari 2026;
Interview familie Pauwels in Opstoapel;        
erfgoedvereningen Temse;         
Blogpost Zien en weten    

Afbeelding: Aquarel van Jan Arends, 1738-1805 met vlnr een Vlaamse Pleit, een Hooischip en een Hektjalk.