Archeologie, Musea en Behoud

Reconstructie van een zestiende-eeuwse scheepsvlag

Toen in 2018 voor een heel groot model van het vlaggenschip van Michiel de Ruyter vlaggen nodig waren bleek dat er nooit onderzoek was gedaan naar hoe historische vlaggen werden gemaakt.

Mathieu Rol is zeilmaker en als vrijwilliger bij Museum Batavialand betrokken bij het maken van zeilen en vlaggen voor het model van de 7 Provinciën. Hij is als fotograaf betrokken bij het onderzoek van de vlaggen en als kleurdeskundige bij het verven van wollen vlaggen.
Aemile Lalk is sinds 2010 als vrijwilliger bij Museum Batavialand betrokken bij de vervaardiging van zeilen voor de Batavia en vanaf 2013 bij het op schaal maken van zeilen en vlaggen voor het grote model van de 7 Provinciën. In een blog op het Maritiem Portal vertellen zij het verhaal van het onderzoek. Vanwege de lengte geven wij hier een deel ervan weer.

Weinig vlaggen bewaard gebleven

Noch in Nederland, noch in andere West-Europese landen was onderzoek gedaan naar historische vlaggen. Dit werd het startsein van een zoektocht naar bronnen die zouden kunnen bijdragen aan het kunnen reconstrueren van een zestiende-eeuwse scheepsvlag. Bij navraag onder de belangrijkste maritieme en historische musea in alle omringende landen bleken alleen het Zweedse Armé Museet in Stockholm en het Rijksmuseum van Amsterdam een collectie vlaggen te hebben. In Amsterdam en in Stockholm hebben we een tiental vlaggen kunnen onderzoeken. O ja, het Greenwich Maritime Museum heeft één vlag in de collectie, maar wel een heel bijzondere, de enige bewaard gebleven vlag uit de Commonwealth periode. Ook die hebben we onderzocht. Zo kregen we een aardig beeld van hoe historische vlaggen eruit zagen en gemaakt waren en konden we met behulp van zelfgemaakte macrofoto’s textiel technisch onderzoek doen.

Literatuuronderzoek

Om een reconstructie van een vlag te kunnen maken startten we met literatuuronderzoek. Allereerst is het nodig om te weten van welk materiaal scheepsvlaggen gemaakt werden. In de catalogus  van het Rijksmuseum staat dat scheepsvlaggen van wol waren gemaakt. Maar dan rijst gelijk de vraag, van welk schapenras was die wol? Hierop wordt later teruggekomen.

Van voor 1700 is vrijwel niets bekend over vlaggenmakerij. Wel zijn in het VOC-archief, van de kamer Zeeland (1614-1618) en van de Boekhouding Enkhuizen (1608-1619), rekeningen gevonden van vlaggenleveranciers. De leveranciers waren zowel vrouwen als mannen, en vlaggen vielen onder de noemer stuurmansgereedschappen en niet onder zeilen. Vermoedelijk was rond die tijd spinnen, weven en vlaggen maken huisarbeid en zouden vooral vrouwen en ook kinderen het werk doen.

Geen inlandse wol

Na de zeventiende eeuw werd het spinnen en weven onderdeel van de Leidse lakenindustrie. Honderd jaar geleden zijn alle ordonnanties, keuren en dergelijke vanaf 1333 door N.W. Posthumus bijeengebracht in zes kloeke boeken. Vlaggendoek komt er nauwelijks in voor, waarschijnlijk omdat deze nering van ondergeschikt belang was ten opzichte van de vele soorten laken. Wat er vooral uitspringt is dat in de Leidse lakennijverheid heel lang alleen Engelse gekamde wol was toegestaan. Gebruik van gekaarde wol was ten strengste verboden.

De opkomst van de Engelse lakenindustrie leidde begin zestiende-eeuw tot een protectionistisch Engels beleid, om wol voor eigen productie te houden. Door de sterk teruggelopen aanvoer van Engelse wol werd in 1522 besloten dat in Leiden ook Spaanse wol mocht worden gebruikt. En tenslotte werd, heel schoorvoetend, in 1563 ook ‘hierlantse’ wol toegelaten. Hierlants, omdat de Republiek der verenigde Nederlanden nog niet bestond. Helaas worden er geen schapenrassen genoemd in de stukken.

Over Engeland weten we dat in 1741 voor de vlaggendoekweverij van wol bijna de helft van langharige schapenrassen kwam, voornamelijk uit Lincoln en Leicestershire. In 1770 werd vrijwel alleen nog langharige wol gebruikt, voor het zogenoemde kamgaren, zoals dat ook gebruikt werd voor vlaggendoekweverij. Het lijkt aannemelijk dat ook voor de Leidse lakenindustrie de superieure langharige Engelse wol de voorkeur had, maar het is niet ondenkbaar dat ook wol gebruikt werd van Hollandse langharige rassen.

Veldwerk

Ondertussen begonnen we met veldwerk: onderzoek van vlaggen in het depot van het Rijksmuseum. Twee vlaggen waren het belangrijkst voor ons onderzoek. De eerste vlag betrof veertien fragmenten van wat in 1596 een Amsterdamse vlag van het schip van Willem Barentsz is geweest. De afmetingen zouden 280 x 470 cm zijn geweest. Om een vlag te reconstrueren moet je niet alleen de wolsoort kennen, maar ook moet je weten hoe het garen gesponnen is, hoe het doek geweven is, met welke kleurstoffen het doek geverfd is en hoe de kleden aan elkaar zijn genaaid.

Lees het hele blog met interessante details op Maritiem Portal.
Beeld: Een antieke scheepsvlag uit de 19e eeuw, collectie Rijksmuseum