Laatste Nederlandse zeetjalk eindigt als terras
De stalen koftjalk Soli Deo Gloria, die ruim een eeuw de wereldzeeën bevoer, was de laatste zeetjalk onder Nederlandse vlag. Nu ligt het schip half gerestaureerd in Dokkum, waar het dek dient als terras.
Als Lammechiena II liep het schip op 7 maart 1912 van stapel bij Scheepswerf Gebr. J. & G. Verstockt in Martenshoek. Opdrachtgever was Harmannus Schling uit Groningen. Het onder klasse van Bureau Veritas gebouwde schip was 26,75 meter lang, 6,24 meter breed en had een holte van 2,45 meter. Het tonnage bedroeg 140 BRT bij een laadvermogen van 210 ton. Twee maanden na de tewaterlating volgde de oplevering; het schip kreeg de naam van de echtgenote van kapitein Schling.
De eerste jaren wisselde het schip meerdere malen van eigenaar. Nicolaas Wijnstok uit Hoogezand nam het op 7 januari 1914 over. De thuishaven bleef Groningen. Op 18 november 1915 verkochten D.C. en J.G. Muhring uit IJmuiden het schip onder de nieuwe naam Tromp, met IJmuiden als thuishaven. Oege Schuitema uit Groningen werd op 18 mei 1927 eigenaar en bracht de thuishaven terug naar Groningen.
Mechanisatie
Schuitema liet in maart 1934 bij N.V. Noord-Nederlandse Scheepswerven een 4-takt 3-cilinder Deutzmotor van 65 pk inbouwen. Daarmee verdween de zeilvoering als primaire voortstuwing.
Twee maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog legde men het schip op. Als Tromp met thuishaven Rotterdam kwam het op 7 mei 1940 in bezit van N.V. Zeelichter Thames II M.J. van der Eb.
De Duitse bezetter plaatste het schip op 4 augustus 1941 onder toezicht. Het voer tot 1944 tussen Groningen en Kiel en lag daarna opgelegd in de Groninger Oosterhaven.
Op 15 april 1945 brachten Duitse troepen de Tromp tot zinken in het Verbindingskanaal, nabij het botenhuis van de studentenvereniging. Omdat het schip slechts gedeeltelijk onder water kwam, kon men het kort na de bevrijding bergen.
Scheepswerf J. Vos & Zoon voerde de reparaties uit. De Rotterdamse eigenaar nam het schip op 15 april 1947 weer in gebruik onder de naam Maraat V. Een tweede hermotorisering volgde in april 1950 bij Scheepswerf De Hoog, waar een 125 pk 4-takt 3-cilinder Deutz werd geplaatst.
Verkoop naar Manilla
Het schip kwam op 24 februari 1954 in vaste bevrachting bij Koninklijke Wagenborg. Eigenaar Wopke Kalkhuis uit Groningen gaf het de naam Soli Deo Gloria. In oktober 1958 liet hij het schip bij Scheepswerf Barkmeijer met vijf meter verlengen. De lengte groeide tot 31,86 meter en het laadvermogen tot 255 ton. Drie jaar later verving weer een nieuwe eigenaar de motor door een 4-takt 4-cilinder Deutz, afkomstig van de vuurtoren van Vlieland.
In 1967 werd het schip verkocht aan de Liberation Steamship Comp. Inc. in Manila. Het bedrijf had een zeilschip nodig voor haar eigen opleiding voor Scheepsofficieren en hiermee vertrok de oudste Nederlandse zeetjalk uit Nederland en het einde van de Nederlandse vlag. Het schip kreeg de naam PMI Navigator. Bij Barkmeijer plaatste men opnieuw het zeiltuig en een 2-takt 3-cilinder Deutz van 150 pk.

Het schip zou echter nooit in Manilla aankomen. De geplande reis naar de Filipijnen voerde via de Middellandse Zee, waar het Suezkanaal na de Zesdaagse Oorlog geblokkeerd werd. Het schip bleef liggen in Gibraltar, in afwachting van betere tijden. Toen die te lang uitbleven werd het opnieuw verkocht, waarna het dienst deed als vissersvaartuig vanuit Gibraltar, en nog later als zandzuiger vanuit Sicilie. Daar werd het schip in 2000 afgekeurd voor actieve dienst, waarna het lag weg te rotten in de haven van Palermo.
Terug in Nederland
Chris Woestenburg, een Friese charterpionier die al verschillende historische zeeschepen had opgespoord, ontdekte het schip daar en kocht het in september 2002. Hij herdoopte het Tromp en liet het registreren in Harlingen. Met het Duitse dokschip Condok IV keerde de 93-jarige tjalk terug naar Nederland. Vanuit Rotterdam sleepte men het naar Scheepswerf Gerard Kroes voor restauratie. Omdat Woestenburg de restauratie in zijn eentje niet kon dragen, werd de Tromp in 2006 verkocht aan André Hamstra en Jelle Talsma van Talsma shipyards, die het voor verdere restauratie onderbrachten bij een stichting, met medewerking van het ROC Friese Poort.
De afronding van de restauratie zou plaatsvinden bij Droogdok Groningen, in samenwerking met stichting SoZaWe. Het schip werd tot de oorspronkelijke lengte ingekort en en de romp werd met veel klinkwerk hersteld. Tijdens de langdurige restauratieperiode werd het schip enkele keren ingezet als vergaderschip voor de LVBHB en tijdens de Klassieke Schepenbeurs. De restauratie resulteerde echter niet opnieuw in een varend leven. In 2016 kwam het schip in handen van een horeca-ondernemer die de Tromp naar Dokkum haalde. Daar kan het publiek nu op het dek plaatsnemen voor een kop koffie, terwijl de stoere koftjalk na meer dan een eeuw op hoge zee wegkwijnt in roerloos binnenwater.
Bron: Stichting Tromp en een artikel van Henk Zuur in de Schuttevaer (alleen voor abonnees).
Beeld: Stichting Tromp, Café de Halve Maan.


