De laatste walvisvaarder van Schiermonnikoog
Auke Talsma is de laatste walvisvaarder van Schiermonnikoog levende geschiedenis. De Leeuwarder Courant interviewde hem over toen en nu. „Wij gingen naar Antarctica in een héél andere tijd.”
Auke Talsma is bijna negentig, en wil thuis op het eiland maar al te graag vertellen over zijn tijd op de walvisvaart. Hij is de laatste Schiermonnikooger die het kan. Ernst Slagter interviewde hem:
‘Talsma opent een dik plakboek op tafel en bladert naar een krantenknipsel waarin Jansma zomaar wat cijfers over het grootste dier ter wereld oplepelt. Dat de blauwe vinvis al snel 30 meter lang is. Minstens zo zwaar is als twintig volgroeide olifanten en met gemak de 170 duizend kilo haalt. De helderblauwe ogen van Auke Talsma twinkelen. „En toch kun je er geen voorstelling van maken. Hoe enorm die vissen zijn. Nou, wij hebben ze gezien. En dat niet alleen.”
Wat trok u?
„Vrijwel alle walvisvaarders wilden hetzelfde. Een eigen huisje op Schiermonnikoog. Indertijd moest je de helft van het geld zelf hebben. Dan kon je bij de bank aankloppen voor het restant. En walvisvaarders verdienden goed. Heel goed. Zeker als je de bonus per vis meerekent.”
Waar moet ik aan denken?
„Op de terugweg kreeg ik 6000 gulden. Contant. Voor zeven maanden werken. En eten en verzorging was op het schip inbegrepen. Echt, het was voor die tijd een enorm bedrag. Het huis waar ik nu woon, heb ik na die twee reizen gekocht. Mede dankzij de walvisvaart had ik genoeg gespaard.”
Grijnzend: „Moet je nagaan: ik betaal nu in vijf jaar tijd meer aan ozb dan dit huis me bij de koop gekost heeft.”
Wat had u op het eiland kunnen verdienen in de zeven maanden dat u weg was?
„Verdienen? In de winter? Er was hier niets. Er kwamen nog weinig tot geen toeristen op het eiland. De meeste mensen hadden geen werk.”
De walvisvaart gaf Schiermonnikoog een duwtje?
„Zeg maar gerust een enorme duw. Mijn oudste broer Tjitte ging al in de eerste jaren mee en hield er uiteindelijk hotel Duinzicht aan over. En wat dacht je van Auke Soepboer? Hij begon na de walvisvaart met de verhuur van honderd fietsen. Knettergek, zei iedereen hier. Nou, moet je nu eens zien. Duizenden fietsen. Het is een enorm bedrijf geworden.
Maar naast het geld waren er ook de prachtige verhalen van Tjitte. De walvisvaarders reisden eerst van IJmuiden naar Curaçao om te tanken. Van daar gingen we naar Kaapstad. Daar waren we een week vrij en mochten we de Tafelberg op. En dan moesten al die schitterende ijsbergen nog komen.”
U wilde de wereld zien?
„Precies. Als ik op Schiermonnikoog op een hoog duin zat, kon ik de horizon zien. Maar ik wist niet wat daar achter lag. De drang om daar achter te willen komen en heel ver weg te trekken is ons niet vreemd. Een andere broer, Hille, ging naar Brazilië en overleed een paar jaar geleden in Los Angeles.
Toen ik jong was, had ik een oom met een boerderij op het vasteland. Hij had geen kinderen. Mijn moeder zei: als je daarheen gaat, kun je de boerderij overnemen. Maar ik wilde niet in de klei zitten. Dat vind ik helemaal niks. Ik kreeg daar zelfs een soort heimwee. Ik ging op de zeedijk kijken als de vuurtoren brandde. Gek, hè?”
Na een korte stilte: „Dat had ik niet op de Willem Barendsz, trouwens. Te veel afleiding.”
Hoe was het leven aan boord?
,,Ik werkte op de Willem Barendsz II, een verbeterde versie van de omgebouwde tanker waar Tjitte eerder op voer. We sliepen met z’n vieren in een hut. Op de heenreis moesten we bijvoorbeeld de harpoenen klaarmaken en een spek- en een vleesdek timmeren. Die kwamen bovenop het bestaande dek, zodat het origineel niet beschadigd werd door de walvissen.

Zodra de laatste vis verwerkt was, werd alles overboord gegooid. Dreef de hele zee vol hout. Konden de jutters daar weer even vooruit. Tot we weer terug bij de sluizen van Rotterdam waren, moesten we werken. Hard werken.”
Talsma kijkt naar een ontzagwekkende foto in zijn plakboek. Hij, de vleessnijder, aan het werk onder de enorme borstkas van een blauwe vinvis.
Hoe nietig kan een mens zijn?
Talsma: ,,5000 kilo. Als je die op je kop kreeg, was je morsdood. En dan had je nog al die staalkabels die heen en weer vlogen op zo’n deinend schip. Levensgevaarlijk.”
Zijn er doden gevallen?
,,Toen we op een dag meer dan vijftig walvissen vingen, scheurde een van de scheepsketels van de jagers open. Vier mannen aan boord stierven. Er was een jongen van 19 bij. De lijken lagen in de vriesruimte, tot ze in Kaapstad van boord werden gehaald.
Er was ook een matroos die ruzie kreeg met een Afrikaan. De een stak de ander dood. En er is iemand overboord geslagen. Opgegeten door de haaien.”
U vertelt het vrij rustig.
,,Natuurlijk maakte het indruk. Maar ik keek op het schip elke dag mijn ogen uit. Alles was nieuw en spannend.”
Heeft u zelf gezien hoe een walvis gedood werd?
,,Nee, de jagers waren soms wel een halve dag voor ons uit. Als ze beet hadden, staken ze een stok met een vlag omhoog. Dan zag je van welke jager de vlag was. En er werd lucht in de walvis gepompt. Zodat ie bleef drijven. Vervolgens werden de vissen naar het moederschip gebracht. Dan moesten wij aan de bak.
Ik weet nog dat de eerste walvis op het dek kwam. Zo’n enorm gevaarte. Dat kun je al bijna niet bevatten. En dan komt het moment dat ie wordt opengesneden. O o o. Alleen de tong was al 10 meter lang.
Als er een schip langszij moest, legden we er altijd een walvis tussen. Een stootkussen van dik 30 meter.”
Was er concurrentie?
,,Enorm veel. De Japanners joegen er ook. Heel snelle jongens waren dat. Als ze naar de eetzaal gingen, namen ze hele slierten darmen van de walvis mee. Die spoelden ze schoon, sneden ze in reepjes en aten ze op. Zij vonden het heerlijk, wij moesten er niet aan denken.
Walvisvlees is trouwens heerlijk. We maakten er gehaktballen van. Het is rood vlees, hè? Smaakt niet eens naar vis.” […]
Hoe kijkt u er nu zelf op terug?
,,Luister, het was een totaal andere tijd. Nederland snakte naar olie en vetten. De Duitsers hadden alles opgemaakt in de oorlog. Wij haalden wat we nodig hadden uit de zee. Zo zeiden ze dat. Daarmee zouden we Nederland een belangrijke dienst bewijzen.
Walvissen hebben we voor die doeleinden al heel lang niet meer nodig. Ik ben blij dat we er al heel lang geleden mee gestopt zijn. En ik hoop dat Greenpeace Japan ooit zover krijgt om óók te stoppen. Maar nogmaals: wij gingen in een andere tijd naar Antarctica. Een héél andere tijd. […]
Stel: u bent weer 21 en mag opnieuw naar Antarctica. Doet u het?
,,Niet om te jagen. Wel om te zien hoe ongelofelijk mooi de wereld daar is. Och jongen, ik heb zoveel reizen gemaakt. Noorwegen, Zweden, de Shetlandeilanden. Schotland, vorig jaar nog.
En ik ben op IJsland op zo’n bijzondere boottocht mee geweest. Hebben we ook walvissen gezien. Kleiner dan bij Antarctica, maar toch. Ze zwommen onder het schip door.”
Een gelukzalige glimlach onder die helderblauwe ogen. ,,Prachtig om dat nog eens te mogen beleven.”

Lees het hele artikel van Ernst Slagter in de Leeuwarder Courant (alleen voor abonnees).
Kopfoto: Nationaal Archief.


